Oud en Nieuw heeft iets magisch. Of misschien iets tragisch. Of allebei tegelijk, zoals een oudejaarsconference die nét niet grappig genoeg is, maar waar je toch naar blijft kijken omdat je niets anders te doen hebt en de rest het wel leuk lijkt te vinden. Na de kerst met bijpassende tafels en gesprekken doen we een week later alsof één avond knallen, bubbels en goede voornemens genoeg is om het hele leven weer strak te trekken.
Vroeger vond ik Oudjaar werkelijk fantastisch. Niet “wel gezellig”, maar hoogtepunt-van-het-jaar-fantastisch. De hele familie verzamelde zich bij opa en oma. Tantes in de keuken, ooms met sterke meningen in de woonkamer, kinderen overal tegelijk. Het huis was gevuld met de geur van oliebollen, vermengd met koffie, sigarenrook en lichte chaos. De spanning bouwde zich op, niet door diepe gesprekken of reflectie, maar omdat we een paar seconden na twaalf uur naar buiten zouden sprinten. Mijn vader gaf nog net mijn moeder en oma een zoen en daarna: rennen. Naar buiten. De kou in. Vuurwerk afsteken alsof ons leven ervan afhing.
Daarna kijken naar het grote vuur op het Veluweplein, een collectieve oerkreet van vlammen. En vervolgens tot diep in de nacht rondlopen met mijn vader, ooms en neven. Geen plannen, geen goede voornemens. Alleen lawaai, licht en het gevoel van een magische nacht waarin alles mocht en niets hoefde.
Misschien voelde dat zo omdat Oud en Nieuw al duizenden jaren draait om precies datzelfde gevoel. Grip krijgen op tijd, al is het maar voor even. De Babyloniërs pakten het groots aan. Hun nieuwjaarsfeest was een morele reset. Oude fouten loslaten en leiders die publiekelijk verantwoording moesten afleggen. Elf dagen lang. Dat maakt onze “dit jaar ga ik meer sporten”-belofte ineens behoorlijk vrijblijvend.
De Romeinen maakten het er niet gezelliger op. Het jaar begon eerst in maart, tot Julius Caesar besloot dat 1 januari logischer was, ter ere van Janus, de god met twee gezichten. Eén naar het verleden, één naar de toekomst. Reflecteren en vooruitkijken dus. Geen bubbels, geen vuurpijlen, gewoon nadenken. En ja, ook goede voornemens stammen uit die tijd. De traditie van falen is dus historisch zeer goed onderbouwd.
In de middeleeuwen werd het pas echt chaotisch. Het nieuwe jaar begon wanneer het zo uitkwam. Met kerst, Pasen, of zomaar in maart. Iedereen deed maar wat. Pas eeuwen later werd 1 januari langzaam normaal. En ondertussen maakten mensen lawaai. Veel lawaai. Geluid gaf een gevoel van controle. En vuurwerk was geen feest, maar een ritueel om de angst te verjagen.
En nu staan wij daar, met oliebollen, champagne en goede voornemens die vaak al voor februari sneuvelen. Eigenlijk is Oud en Nieuw een collectief ritueel waarin we doen alsof we controle hebben over tijd, terwijl we vooral hopen dat het volgende hoofdstuk beter wordt dan het vorige. Ook al weten we dat 1 januari gewoon een donderdag met een kater zal zijn.
Dit jaar doe ik het anders. Na een jaar chaos in huis en tuin dat inmiddels meer weg heeft van een doorlopend kunstproject dan van een planning, houden we het klein. Geen rondjes door de buurt. Geen vuurwerk dat duurder is dan mijn eerste fiets. Geen gesprekken om half drie ’s nachts over wie er nou écht schuldig was aan de rampzalige gourmetavond van 1998. We wachten tot twaalf uur, drinken een bubbeltje of twee, en dan naar bed.
Misschien is dát wel grip: minder lawaai, minder rook, minder verwachtingen. Gewoon even stilstaan, achterom kijken, vooruit gluren en hopen dat het nieuwe jaar iets vriendelijker wordt. En als dat niet zo is, dan zijn we in elk geval uitgerust.



