Deze week start Dossier 076, een korte fictiereeks uit de wereld van JP Vermeer. Een oud dossier, een lokaal artikel en één detail dat vijf jaar te laat opvalt.
De BMW stond scheef geparkeerd aan de rand van de Haagdijk, tussen een bestelbus met een kapot achterlicht en een elektrische auto die zich leek te schamen voor de buurt. Voor de snackbar stond Daan in de rij. Zijn schouders opgetrokken tegen de wind, één hand in zijn jaszak, zijn telefoon in de andere.
JP’s telefoon lag op de passagiersstoel. Het scherm lichtte op.
Een melding. Eentje die ze al drie keer had genegeerd.
Tandarts, 08.00.
Ze legde het toestel op haar schoot en veegde de melding weg. Daarna opende ze gedachteloos het lokale nieuws. Ze scrollde langs een stuk over wegwerkzaamheden op de A16, een burenruzie in Princenhage die was uitgelopen op een steekpartij, een column over hondenbelasting. Breda op zijn best.
Halverwege de pagina bleef haar duim hangen.
Cultuurpand De Loods feestelijk geopend door vader en dochter Van Oord.
Ze tikte het artikel open.
Op de foto stond Laurens van Oord. Een man van begin zestig, in een donkerblauw pak. Glimlachend naast een jonge vrouw met kort haar. Ze knipten samen een lint door.
Ze kende hem. Zijn gezicht was voller geworden, zijn haar grijzer, zijn pak duurder. Maar zijn glimlach was hetzelfde. Beheerst. Net genoeg tanden om vriendelijk te lijken, te weinig om iets weg te geven.
De vrouw naast hem was begin dertig, met donkerblond haar, een lichte jas en één hand op zijn arm. Ze glimlachte niet naar de camera, maar net erlangs, alsof iemand haar buiten beeld had geroepen.
Sophie van Oord, las JP.
Daan schoof buiten één plek op in de rij. Hij keek even om en stak twee vingers op. Twee minuten. Bij Daan betekende dat vijf.
JP las verder.
Het artikel was luchtig. Van Oord investeerde in cultuur, zijn dochter Sophie was mede-initiatiefnemer, het pand zou ruimte bieden aan jonge kunstenaars. Halverwege het stuk werd Sophie geciteerd.
”Dit project is ook een eerbetoon aan mijn vriend Ronnie, die vijf jaar geleden op gewelddadige wijze om het leven kwam. Het was zijn droom, ik heb het uitgevoerd.”
JP las de zin opnieuw. Haar duim bleef op het scherm liggen.
Ronnie. Mijn vriend Ronnie.
Er waren genoeg Ronnies in Breda, maar vijf jaar geleden was er maar één vermoord. Ronnie Maas.
JP keek naar de foto. Naar Laurens van Oord. Naar zijn hand, losjes om het lint dat hij op het punt stond door te knippen. Naar Sophie naast hem.
Ze wist nog hoe Van Oord destijds de verhoorkamer was binnengekomen.
Geen advocaat bij zich. Niet nodig, had hij gezegd. Hij wilde meewerken. Hij had niets te verbergen.
Dat soort zinnen waren zelden waar. Maar soms waren ze niet onwaar genoeg.
Ronnie Maas was dood gevonden bij een leegstaand bedrijfspand in Breda. Schotwond. Geen beroving. Geen getuigen die iets bruikbaars hadden waargenomen. Een man met een strafblad, contacten in de onderwereld en een hoop vijanden.
Binnen een uur had iemand het woord afrekening gebruikt.
Binnen een dag gedroeg iedereen zich alsof dat niet alleen een scenario was, maar de zaak zelf.
JP had getwijfeld.
Niet omdat Ronnie Maas zo’n fijne jongen was. Hij had mensen afgeperst, bedreigd, een keer iemand in een café met een stoelpoot geslagen.
Maar zijn dood klopte niet.
Het overhemd. Daar dacht ze ineens weer aan.
Donkerblauw. Nieuw. Te netjes voor hem. Zorgvuldig gekozen. Zijn schoenen gepoetst. Geen wapen bij zich. Geen contant geld. Geen sporen van paniek.
Hij had eruitgezien als iemand die op weg was naar een plek waar hij beter voor de dag wilde komen dan hij was.
Van Oord was destijds in beeld gekomen omdat Ronnie hem vlak voor zijn dood had gebeld.
Ronnie wilde investeren in vastgoed, had Van Oord verklaard. Iets met een pand. Van Oord kende zijn achtergrond en had geen behoefte aan zaken met iemand als Maas.
Daan trok het portier open. De geur van frituur vulde de auto.
‘Ik heb voor jou een kaassoufflé genomen, de kipvingers waren op.’
JP reageerde niet.
Daan bleef met de tas in zijn hand half gebogen staan.
‘Chef?’
JP nam de papieren tas aan en zette hem ongeopend tussen hen in.
‘Ken jij Ronnie Maas?’
Daan fronste. ‘Een oude zaak, toch? Afrekening?’
‘Dat was het verhaal.’
‘Niet jouw verhaal?’
Ze draaide haar scherm naar hem toe.
‘Van Oord, die vastgoedman, was een van Ronnie’s laatste contacten.’
Daan keek naar het scherm.
‘En blijkbaar was zijn dochter Ronnie’s vriendin,’ vervolgde JP.
‘Dat stond niet in het dossier?’
‘Nee.’
‘Gaan we terug naar het bureau?’
JP keek naar de tas met eten. Naar Daans gezicht, jong en wakker, ook na een te lange dag. Hij wilde alweer bewegen. Daan dacht nog dat zaken oplosten als je maar snel genoeg opstond.
‘Nee,’ zei ze. ‘Eten en naar huis.’
‘Wil je dat ik meekijk?’
Ze keek hem aan.
Hij grijnsde, maar zijn blik bleef serieus.
‘Eet je berenhap, Daan.’
Een kwartier later zette ze Daan af bij zijn auto. Hij bleef nog even staan naast haar portier.
‘App je als je iets vindt?’
JP startte de motor.
‘Misschien.’
Hij tikte met twee vingers tegen zijn slaap: half groet, half berusting. JP reed weg.
Thuis was het donker, op het licht boven het aanrecht na. Thomas had een briefje naast het koffieapparaat gelegd.
Ben boven. Hoofdstuk eindelijk iets minder waardeloos. Er staat soep in de koelkast.
JP bleef er even naar kijken.
Boven kraakte een vloerplank. Bo kwam vanuit de woonkamer aangeslopen, staart rechtop, blik verwijtend zoals alleen katten dat konden.
‘Ik weet het,’ zei JP. ‘Ik ben laat.’
Bo mauwde.
‘Niet overdrijven.’
Ze hing haar jas over de stoel in plaats van aan de kapstok, pakte de laptop en ging aan de keukentafel zitten. De soep liet ze in de koelkast. Daans Cola Zero zat nog in haar tas. Inmiddels lauw.
Ze logde in, opende Summ-IT en typte de naam in. Maas, R.J. Het dossier laadde traag. Eerst verschenen de foto’s van de plaats delict: het bedrijfspand, het parkeerterrein, het lichaam. Daarna de verklaringen. Getuigen, buren, bekenden.
Ze scrollde naar Van Oords verklaring.
De heer Maas benaderde mij omdat hij interesse had in een vastgoedinvestering. Ik heb hem uitgelegd dat ik, gezien zijn achtergrond, geen zakelijke relatie met hem wilde aangaan. Het gesprek was kort en zakelijk.
JP las het twee keer. Dezelfde woorden als vijf jaar geleden.
Ze scrollde verder. Bijlagen. Telefoongegevens. Uitgeprinte chatberichten van Ronnie’s telefoon.
Dreigementen. Half in straattaal, met veel spelfouten. Een paar berichten aan nummers zonder naam. Eén gesprek met een garagehouder. Twee met iemand die Kleine Dave heette, wat zelden een aanbeveling was.
Ze filterde op de avond van zijn dood.
En toen zag ze het.
Een bericht om 22.37 uur.
Geen achternaam.
Soof.
JP klikte.
Er stonden slechts drie berichten.
Ronnie: Morgen komt het goed. Ik regel het.
Soof: Mis je x
Ronnie: Slaap lekker xxx tot morgen
Deel 2 van Dossier 076: Soof lees je hier.
Wil je vaker oude zaken, vreemde voorvallen en Bredase geheimen ontvangen?
Abonneer je hier.


Hooked I am :-)