Dit is waar het schuurt, stroomt en soms stilstaat. Over twijfel en ongeduld. Over wachten, hopen, doorschrijven. Geen handleiding. Geen succesverhaal. Geen afgerond einde. Gedachten te ruw voor een roman en te eerlijk om voor mezelf te houden. Dit zit er ergens tussenin.
Ik tel weleens uit hoe oud ik zal zijn als mijn volgende boek uitkomt. Een traject bij een uitgever duurt een jaar, soms twee. Dan ben ik zevenenvijftig. Misschien achtenvijftig.
En dan?
Morgan Freeman brak door op zijn vijftigste, Christoph Waltz op zijn drieënvijftigste. En Isabella Ducrot begon serieus met kunst maken in haar vijftiger jaren en brak pas op hoge leeftijd internationaal door. Ze is nu vierennegentig en exposeert in New York, Londen, Parijs.
Het zijn de namen die je tegenkomt als je googelt op ‘late bloomers’. Ze zijn bedoeld om te troosten. Om te zeggen: het kan nog.
Freeman acteerde al tientallen jaren toen hij doorbrak. Waltz speelde decennia in obscure Duitse tv-series voor hij werd gevraagd voor Inglourious Basterds. En Ducrot maakte werk in haar atelier dat tot 2018 buiten Italië vrijwel onopgemerkt bleef. Ze waren niet rijk. Ze waren niet bekend. Zij wachtten niet op een tweede leven. Zij wachtten op een eerste erkenning.
Ik heb mijn succes al gehad.
De carrière was er. Het geld was er. De wereld ook. En het werk was leuk. Echt leuk. Dus waar ben ik dan nu mee bezig?
Is succes pas succes als het nog moet komen?
Wat probeer ik te bereiken met schrijven? Nog een boek? Een uitgever? Een drukpers die rolt? Een verkoopcijfer? Een bestseller? De vragen lopen op en bij elke trede denk ik: nee, dat is het niet. Niet helemaal. Niet alleen.
Want als het dat zou zijn, dan is het een rare investering. Een jaar wachten op een uitgever. Misschien twee. Misschien helemaal geen. Voor een uitkomst die ik in mijn vorige leven sneller en zekerder kreeg.
Dus het is iets anders.
Maar ik weet nog niet wat.
Mijn oude succes was extern. Zichtbaar. Het paste op een visitekaartje en in een loonstrook. Iedereen begreep het meteen. Ik begreep het ook. Het had vorm.
Dit niet.
Wat ik nu doe heeft geen vorm die anderen herkennen. Ook ik herken hem niet altijd. Er is geen functie. Geen titel. Geen jaarlijkse beoordeling. Alleen een document dat groeit en krimpt en weer groeit. En een vraag die niemand stelt en die ik mezelf liever ook niet stel: waarvoor doe je dit eigenlijk?
Want als het niet voor het succes is dan moet het voor iets anders zijn.
Voor het werk zelf, zeggen schrijvers dan vaak. Voor het maken. Voor het vinden van de juiste zin. En ja, het is leuk. Echt leuk. Dat klopt allemaal, maar ze voelen ook als de antwoorden die je geeft als je geen ander antwoord hebt.
De eerlijkere versie: ik weet het niet.
Ik weet niet of ik schrijf omdat ik nog iets wil bewijzen, of juist omdat ik niets meer hoef te bewijzen. Dat zijn twee tegenovergestelde motivaties en ik kan ze niet uit elkaar trekken. Soms voelt het als het ene. Soms als het andere. Vaak beide tegelijk.
En misschien is dat het verschil met Freeman en Waltz en Ducrot. Zij wisten waar ze naartoe wilden. Een eerste keer. Een doorbraak. Een erkenning die er nog niet was.
Ik heb die erkenning gehad. In een ander vak, in een ander leven.
En toch zit ik hier en schrijf ik.
Niet om opnieuw te krijgen wat ik al had.
Maar voor iets wat ik nog niet kan benoemen.
Dat is geen tweede leven.
Dat is voor het eerst iets doen waar ik geen meetlat voor heb.
Wordt vervolgd, ergens tussen de regels.



Mooi hoor, het leven is soms niet het één of het ander. Allebei kan tegelijk waar zijn. Dank!
Schitterend gezien: Dat is voor het eerst iets doen waar ik geen meetlat voor heb.