Dit is waar het schuurt, stroomt en soms stilstaat. Over twijfel en ongeduld. Over wachten, hopen, doorschrijven. Geen handleiding. Geen succesverhaal. Geen afgerond einde. Gedachten te ruw voor een roman en te eerlijk om voor mezelf te houden. Dit zit er ergens tussenin.
Ik open mijn mail. Sluit hem weer. En open hem opnieuw. Alsof er in die paar seconden iets zou kunnen gebeuren wat alles ineens zou veranderen. Dat is niet zo. Ik weet het. En toch blijf ik kijken.
Wachten is geen talent van mij. Dat is het nooit geweest. In mijn vorige leven, vol deadlines, campagnes en snelle beslissingen, was ongeduld een kracht. Ik dreef erop. Ik deed alles snel, goed en kreeg dingen voor elkaar. En dat werkte prima.
Nu niet.
Pas tijdens een uitgeversdag besefte ik hoeveel mijn ongeduld me nu tegenwerkt. Die dag had twee gezichten. ’s Morgens ging het over het proces. Hoe uitgevers te werk gaan. Hoe ze denken. Hoelang trajecten duren. Wat zelf uitgeven inhoudt. Do’s en don’ts. Het zakelijke raamwerk van de boekenwereld, helder uitgelegd.
En terwijl ik zat te luisteren, zei iemand voorin:
‘Dit traject kost tijd, een jaar, soms twee.’
Een jaar.
Alles viel op zijn plaats.
Ik zag mijn eigen route langs me voorbijschuiven. Hoe ik bij mijn eerste boek niet wilde wachten op een uitgever die maanden nodig had. Hoe ik lanceerde vlak voor de vakantie, omdat ik door wilde. Hoe ik geen boekpresentatie deed, terwijl Bibliotheek Neude zo’n perfecte plek was geweest. Maar ook dat had tijd gekost. En geduld.
Alles wat ik fout had gedaan, bleek terug te voeren op één ding: mijn ongeduld.
’s Middags ontmoette ik uitgevers. Echte gesprekken. Aandachtige blikken. Drie keer een voorzichtige interesse. Nog geen ‘ja’, maar wel ‘mogelijk’. Ik knikte en dacht: nu dus wachten.
Die dag voelde als een botsing tussen twee versies van mij.
De snelle.
En de schrijvende.
Vroeger was snelheid mijn kracht. Ik had een plan voordat anderen hun koffie op hadden. Ik wachtte niet op groen licht, ik reed alvast een stukje door rood en zag daarna wel of iemand me zou terugfluiten. Er kwamen resultaten van. Sneller dan gemiddeld. Zichtbaarder dan gemiddeld. En eerlijk is eerlijk: ik werd er goed in.
Ik werd er alleen nooit rustig van.
Maar rust was ook geen vereiste. Beweging wel.
In de schrijverswereld heeft snelheid iets verdachts.
Haast wordt hier niet beloond. Tijd wel. Stilte ook. En twijfel, gek genoeg.
Een verhaal laat zich niet duwen. Een uitgever al helemaal niet. Een boek beweegt in maanden, soms in jaren. Niet in sprints. Niet in beslismomenten van een uur.
Mijn oude reflexen snappen dat niet. Die willen follow-ups. Beweging. Actie. Reactie. Ze willen ergens tegenaan duwen.
Maar er ís niets om tegenaan te duwen. Alleen wachten.
En daar ben ik niet goed in, wachten.
Dan sluipt de twijfel erin. Niet luid. Niet dramatisch. Maar stil. Verstandig bijna.
Misschien was het toch niet goed genoeg.
Misschien was ik te vroeg.
Misschien heb ik te hard geroepen dat ik schrijver ben.
Misschien heb ik mezelf iets aangepraat.
Twijfel klinkt bij mij vaak als realisme. Als gezond verstand. Als volwassenheid. Alsof het me wil beschermen tegen teleurstelling. Maar ik vraag me af of het me vooral klein probeert te houden.
Er zijn dagen dat ik zeker weet dat ik dit kan. En dagen dat ik het liefst mijn hele toekomst in een la stop, uit het zicht.
Ik ben niet rustig aan het wachten. Ik wacht met alles in mij op scherp.
Dat is geen zen-toestand.
Dat is pure spierspanning.
En toch zit ik hier.
En ik schrijf.
Wordt vervolgd, ergens tussen de regels.




Leer jezelf kennen!
Dat is wat je doet!
Dat is wat ik in je bewonder.
Want je doet het goed!