Dit is waar het schuurt, stroomt en soms stilstaat. Over twijfel en ongeduld. Over wachten, hopen, doorschrijven. Geen handleiding. Geen succesverhaal. Geen afgerond einde. Gedachten te ruw voor een roman en te eerlijk om voor mezelf te houden. Dit zit er ergens tussenin.
Er zit een moment tussen wat ik lees en wat ik schrijf.
In dat moment gebeurt meer dan mensen denken.
Ik lees een thriller en ik voel het.
Een zin die precies op tijd stopt.
Een alinea die net iets te weinig uitlegt.
Een cliffhanger die je niet dwingt, maar duwt.
En dan gebeurt die klik.
Ik lees niet meer als lezer, maar als schrijver.
Ik neem het mee. Niet het verhaal. Wel de techniek.
Austin Kleon noemt dat ‘steal like an artist’. Het klinkt brutaler dan het is. Het is kijken. Proeven. Knippen. Plakken. En daarna iets maken dat alleen van jou kan zijn.
Ik heb lang gedaan alsof originaliteit een soort bewijs is.
Dat je pas echt schrijver bent als je stem uit het niets komt.
Dat is onzin.
Maar het is hardnekkige onzin.
Zodra je merkt dat je iets oppikt van een ander, komt er meteen een stemmetje op.
Mag dit?
Ben ik nu nep?
Lijk ik te veel?
In de schilderkunst lijkt die twijfel minder te bestaan. Daar zie je invloed gewoon liggen, als een spoor door de tijd. Herman Brood keek breed om zich heen, naar schilders als Edward Hopper, Karel Appel en Pablo Picasso, en maakte er iets herkenbaars van. Zijn kleurenblindheid hielp mee. Felle primaire kleuren werden zijn signatuur. Selwyn Senatori loopt op dat spoor verder. Je ziet Brood terug, maar toch is het meteen een Senatori: Italië, lang tafelen, nostalgie, espresso’s en geblokte kleedjes. De echo is herkenbaar, de wereld is van hem.
Dat idee helpt me.
Wat is de Brood-lijn?
En wat is mijn Senatori-lijn?
De laatste tijd haal ik vooral inspiratie uit hoe iemand een dialoog laat klinken alsof je er zelf bij staat. Niet netjes. Niet afgerond. Wel echt. Met zinnen die elkaar net missen. Met antwoorden die niet antwoorden. Met die ene opmerking die pas later landt.
En hoe iemand een omgeving neerzet zonder dertig bijvoeglijke naamwoorden te gebruiken. Gewoon door het juiste detail. Een geur. Een geluid. De manier waarop iemand staat te wachten. De manier waarop iemand een deur dichtdoet.
Dat zijn de momenten waarop ik denk: ja, dat is het.
En dan pak ik mijn eigen werk erbij en vraag ik mezelf iets heel concreets.
Waar stopt mijn zin?
Waar zwijgt mijn personage?
Welk detail maakt de scène echt?
En dan doe ik wat ik altijd doe.
Ik ga terug.
Ik zoek die ene zin.
Ik kijk waar hij stopt.
En ik probeer het in mijn eigen scène.
Soms lukt het meteen.
Vaker niet.
Maar als ik het lees, hoor ik het.
En als ik het hoor, kan ik het bouwen.
Wordt vervolgd, ergens tussen de regels.



De overtuiging begint te komen. Hou vol en ga verder.
(wat ‘vertel’ je de vergelijking tussen Brood en Senatori mooi)